De voorbereiding kwam op mij aan. Ik opende de mysteriebox en legde de inhoud op tafel. Ik zocht uit wat er voor me lag: moisturizer, primer, blush.
Op straat sleet een man stenen. Een hard, snerpend geluid.
Ik verzamelde instructiefilmpjes, installeerde de beamer en werkte de planning voor het kinderfeest uit. Het moest geweldig worden.
De meiden zouden binnenkomen, verwonderd rondkijken naar de aankleding met gouden vlaggetjes, de tien spiegeltjes naast elkaar op tafel, het dressoir met verzorgingsspullen op volgorde van de routine die ik me intussen had eigengemaakt.
Ze zouden hun gezicht reinigen op de muziek van Roxy Dekker, de natuurlijke primer aanbrengen, de correctie vóór de foundation, dimensioneren. Dat soort werk.
De slijptol klonk intenser. Waarom nu? Moest ik hem aanspreken?
Onder begeleiding van Jo en haar ouders kwamen de kinderen binnen. Ze zongen liedjes, verstopten cadeautjes en een ijverig kind bracht al het eerste gezichtsmasker aan. Dat gaf heus niet. Ik verplaatste nog snel de cavia’s naar het schuurtje naast de voordeur.
Bij het tillen raakte ik met de kooi verstrikt in de vlaggenlijn die ik te laag had opgehangen. Het nachtverblijf begon te schuiven en zorgde voor een tsunami aan zaagsel en poep over mij heen. In de holte van mijn kies belandde iets hards. Met mijn tong probeerde ik het stuk eruit te wippen.
Terwijl ik mijn braakneigingen onderdrukte, riep Jo dat de huid van Elfie het gezichtsmaskertje niet kon verdragen en vuurrood aan het worden was. Vanuit de keuken vroeg mijn schoonvader of ik geïnventariseerd had voor hoeveel personen er friet gemaakt moest worden.
Met het zaagsel op mijn hoofd, de stront tegen mijn gehemelte en gestreste cavia’s in de kooi keek ik buiten in de ogen van de grote man in een overall met een oranje waas over zich heen. Hij hield een baksteen voor zich uit: “Vroeger werd ik woedend als zo’n steen niet kaars en kaarsrecht werd,” zei hij. “Tegenwoordig geniet ik van het gruis.” Daarna ging hij door met slijpen.
Terug op het feest dacht ik aan wat de slijper zei.
Op zaterdag laat ik de kinderen op de markt bij ’t Stoepje vaak een gebakje uitkiezen. Er staan roomtompoezen, mergpijpen, chocoladecroissants. Ze lopen altijd naar de bartafel voor de kraam, waar een kilozak vol kapotte, misvormde spritsen staat. Bakkersverdriet staat er op die zak met gruis.
Ik keek de kamer in, de kinderen rolden met lippenstift op hun wangen en blush in de haren over de grond. Overal lagen stukjes popcorn en cupcakes. Mijn dochter straalde.
Niet getreurd, bakker, dacht ik. Het gruis is geluk.


